Zoeken
  • Tom Schepers

Iconen van Genade - Deel II

Deze adventsserie neemt u mee in het verhaal van de komst van Christus. De verschillende scènes van het adventsverhaal worden onderbroken door korte reflecties van de kerkvaders. Op een bijzondere en symbolische wijze ontvouwen zij de mysteries die in het Kerstverhaal verweven zitten.

De profeten van het Oude Testament kondigden aan: ‘Let op, Ik zal mijn bode zenden, die voor Mij de weg zal effenen. Nog voordat de dag van de Heer aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur Ik jullie de profeet Elia, en hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders.’ En zo was het dat de voorloper en getuige van Jezus de weg in alle opzichten gereed maakte. Hij ging Jezus voor in zijn geboorte, en stierf kort voor de dood van de Zoon van God. Zo bereidde hij de weg van de Heer in elk opzicht voor; voor allen die wachten op bevrijding in hun geboorte, maar ook voor allen die wachten op bevrijding door Christus in hun sterven. (Origenes van Alexandrië)

Johannes, de zoon van Zacharias en Elizabeth, groeide op en werd sterk gemaakt door de Heilige Geest. Hij leefde in de woestijn. Daar wachtte hij op de dag waarop de Heer hem zou roepen zich kenbaar te maken aan het volk van Israël. Johannes droeg net als de profeet Elia een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel. Hij voedde zich met sprinkhanen en wilde honing. Toen de dag van zijn optreden gekomen was, kwam hij voort uit de woestijn van Judea. Op de plaats waar Elia afscheid had genomen van de aarde, begon de bediening van de profeet die gezegend was met de geest van Elia. Uit Jeruzalem, uit heel Judea en uit de omgeving van de Jordaan stroomden de mensen toe en ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, waarbij ze hun zonden beleden.

Johannes opende zijn mond en sprak: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij! Ik doop jullie met water als teken van jullie inkeer, maar na mij komt iemand die machtiger is dan ik. Ik ben het zelfs niet waard om zijn sandalen voor Hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur. Het goede graan zal Hij in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.’’ Hij had ook een boodschap voor de Joden die dachten te kunnen ontkomen aan het oordeel vanwege de genade die God aan hun voorouders had geschonken. Johannes zei daarover: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je het komende oordeel kunt ontlopen? Breng vruchten voort die tonen dat jullie tot inkeer gekomen zijn, en zeg niet meteen bij jezelf: Wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken!’

De Kerk van Christus zal niet worden gebouwd van rotsstukken, maar van levende stenen. Deze zullen opstaan om samen een woonplaats van God te vormen. Met ons bekeerde hart mogen wij een verheven tempel bouwen. Want God bereidde onze verharde harten voor om zacht te worden. Zo zijn wij niet langer struikelblokken, maar staan wij op in aanbidding. De woorden van de apostel vergelijken de levende stenen met christenen die sterk en krachtig in het geloof staan. Het geloof zal kinderen van Abraham opwekken. De voordelen die wij erven bij onze geboorte komen niet voort uit het bloed ons voorgeslacht, maar uit de deugden en verdiensten van onze spirituele voorouders die wij mogen imiteren. (Ambrosius van Milaan)


Johannes verkondigde zo het evangelie aan duizenden en duizenden. De mensen waren vol verwachting en vroegen: ‘Wat moeten we dan doen?’ Hij antwoordde: ‘Wie twee stel onderkleren heeft, moet delen met wie er geen heeft, en wie eten heeft moet hetzelfde doen.’ Er kwamen ook tollenaars om zich te laten dopen, en die vroegen hem: ‘Meester, wat moeten wij doen?’ Hij zei tegen hen: ‘Vorder niet meer dan wat jullie is opgedragen.’ Ook soldaten kwamen hem vragen: ‘En wij, wat moeten wij doen?’ Tegen hen zei hij: ‘Jullie mogen niemand afpersen en je ook niet laten omkopen, neem genoegen met je soldij.’

In die tijd kwam ook Jezus vanuit Nazareth naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen. Toen Johannes Jezus zag, zei hij: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want Hij was er vóór mij.’ Jezus vroeg aan Johannes of hij Hem wilde dopen. Johannes antwoordde: ‘Ik zou door U gedoopt moeten worden, en dan komt U naar mij?’ Maar Jezus zei: ‘Toch moet je het doen, want zo kan Gods gerechtigheid zichtbaar worden in ieder mens.’ Toen deed Johannes wat Jezus vroeg. Hij doopte Jezus voor het oog van het volk en de engelen. Zodra Jezus uit het water omhoogkwam, opende de hemel zich voor Hem en zag Hij hoe de Geest van God als een duif op Hem neerdaalde. Uit de hemel klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.’


De Heer liet zich dopen door zijn dienaar. Zo nodigde Hij juist de goede mensen uit die met een superieur karakter tot in perfectie leven naar de wet, opdat hun zonden vergeven konden worden. En ook al had Hij zelf niets om vergeven voor te worden - niets dat schoongewassen moest worden - toch ontving Hij de doop van zijn dienaar. Zo was het alsof Hij een trotse zoon aansprak, verwaand, trots en misschien zelfs afkerig om samen met ongeschoold tuig redding te ontvangen. Het is alsof Jezus vroeg: “Hoe goed denk je dat je bent? Hoe hoog en verheven? Ben je werkelijk zo uitmuntend? Hoeveel genade rust in jou? Ben jij beter dan Mij? Als zelfs Ik naar een dienaar toe ga, kan jij het dan maken om niet naar de Heer toe te gaan? Als ik mij laat dopen door een dienaar, kan jij het dan maken om je niet te laten dopen door de Heer?” (Augustinus van Hippo)

Niet lang daarna richtte Johannes de Doper zijn woorden tot koning Herodes Antipas. Herodes en Herodias waren verliefd op elkaar geraakt, ook als was Herodias getrouwd met Filippus, de broer van Herodes. Daarom kozen beide om te scheiden van hun eerste echtgenoot, en zich aan elkaar te verbinden. Johannes veroordeelde dit, en zei: ‘U mag niet trouwen met de vrouw van uw broer.’ Daarom liet Herodes Johannes arresteren. Herodias wilde dat Johannes om het leven werd gebracht, maar Herodes stond dit niet toe uit vrees voor het volk. Tijdens het gevangenschap van Johannes kreeg Herodes sympathie voor de Doper. Hij zag dat Johannes een rechtvaardige man was die wijze woorden sprak, zelfs op de momenten dat zijn boodschap Herodes zelf in diskrediet bracht.

Op een dag organiseerde Herodes een groot feest. Salomé, de dochter van Herodias uit haar huwelijk met Filippus, kwam binnen om te dansen voor de gasten. Dit viel erg in de smaak bij Herodes. Daarom liet hij Salomé naar zich toekomen en zei: Vraag me wat je maar wilt, en ik zal het je geven. Wat je ook vraagt, ik zal het je geven, al was het de helft van mijn koninkrijk!’ Ze ging naar haar moeder en vroeg: ‘Wat zal ik vragen?’ Haar moeder zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ Haastig ging ze weer naar de koning toe en zei: ‘Ik wil dat u me nu meteen op een schaal het hoofd van Johannes de Doper geeft.’ Dit bedroefde de koning zeer, maar hij wilde het haar niet weigeren in het bijzijn van zijn gasten. Hij stuurde meteen iemand weg met het bevel hem het hoofd te brengen. De soldaat ging naar de gevangenis en onthoofdde Johannes. Hij bracht het hoofd binnen op een schaal en gaf het aan het meisje, en zij gaf het aan haar moeder. Toen zijn leerlingen hiervan hoorden, gingen ze zijn lijk halen en legden het in een graf.

In het lijden dat beide ondergingen, toonden Christus en Johannes een waar getuigenis: Johannes werd kleiner toen hij zijn hoofd verloor, Christus werd opgeheven aan het kruis. Zo werden de volgende woorden duidelijk: ‘Hij moet groter worden en ik kleiner’. Ook werd Christus geboren toen de dagen langer begonnen te worden, terwijl Johannes werd geboren toen de dagen korter begonnen te worden. Zo werden in hun geboorte en sterven de woorden van Johannes zichtbaar: ‘Hij moet groter worden en ik kleiner.’ Op dezelfde manier moet nu ook Gods glorie groter worden in ons, en onze eigen glorie kleiner. Wanneer wij dat doen, dan wordt zelfs onze eigen glorie groter in God. Dit is immers waar de apostel - waar de Schrift - van getuigd: ‘Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich op de Heer beroemen.’

(Augustinus van Hippo)

2 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven