Zoeken
  • Tom Schepers

De profetie van Nahum

Bijgewerkt op: 18 nov. 2021

Hervertelling van Nahum 2 aan de hand van Mesopotamische manuscripten en archeologische vondsten, voornamelijk vastgelegd door A. H. Layard.

De boodschapper zette zijn laatste stappen richting de top van de berg. Het zweet droop over zijn gezicht. Met zijn ogen keek hij uit over de Tigris en de Eufraat. De steden van het oosten, Babylon, Nippur, Uruk Susa, Assur en Nuzi, schitterden in al hun glorie. Ook Ninevé, de grootste stad van de wereld, stond tentoon in al haar schoonheid. Ninevé was als een vijver vol water. Duizenden en duizenden mensen woonden en

werkten in deze prachtige stad. ‘s Ochtends was het vloed, dan kwamen de handelaren over het water en over de wegen naar de stad om hun specerijen te verkopen. In de avond werd het eb, de stad stroomde dan leeg en iedereen zocht een onderkomen om te slapen. Dan sloten de poorten en de muren werden bewaakt door het water dat langs de stad stroomde.


Vele soldaten stonden op de wacht. Machtige strijders, aangesteld door de koning voor hun moed en strijdlust. Het leger van de Assyriërs was immers oppermachtig. De boogschutters waren als adelaars. Van grote afstand zagen ze hun prooi. De macht van de soldaten met speer was ongeëvenaard. Geen weldenkend mens durfde tegen deze verdedigingsmuur aan te lopen. De soldaten met de slinger waren wellicht het gevaarlijkst van allemaal. Nooit misten zij hun doel. Op paarden en wagens trokken de soldaten ten strijde. Op gruwelijke wijze sloegen ze hun tegenstanders neer. Ze onthoofden de koningen, aanvoerders en stamouders voor de ogen van alle mensen.

Vervolgens gingen ze naar de koning, en ze legden vol trots de hoofden van hun slachtoffers voor hun koning neer, terwijl de vrouwen en kinderen van de vreemde volken als slaven werden weggevoerd. Zo was het ook gebeurd met de kinderen van Israël, die nu gebukt gingen onder de heerschappij van koning Sinsharishkun.


Op het balkon van het paleis van Ninevé verscheen de koning met zijn koningin. De goden zelf hadden de koning uitgekozen om te heersen. Overal in de stad stonden afbeeldingen van het koninklijk paar. De koning had het lichaam van een leeuw met de vleugels van een adelaar, net als de god Nergal. Ook de koningin had het lichaam van een leeuwin met machtige vleugels. Wie goed keek zag soms ook de welpen, de kinderen van de koning die als afgezanten heersten in de kleinere steden. Ze overleefden alleen bij gratie van hun moeder, wiens melk uit Ninevé voortvloeide. De koning sprak magische woorden en had altijd gelijk. Hij sprak immers namens Nergal, de leeuwengod van oorlog en de onderwereld.



Maar de Heer, de God van Israël, had de misdaden van Assyrië opgemerkt. De goden van Ninevé hadden zich gedragen als meedogenloze leeuwen die zonder acht het land terroriseren. Ze waren als adelaars die alles overzien en hun prooi nooit uit het oog verliezen. Ze waren als slangen. Hun vergif stroomde door de Tigris en Eufraat. Daarom richtte de Heer zich tot het zuiden. Hij sprak de koning van de Meden, Cyaxares, en Nabopolassar, de koning van de Babyloniërs, aan. Hij zei: “Verzamel uw soldaten en trek op tegen Ninevé. Laat uw strijdwagens ontelbaar zijn, uw soldaten meedogenlozer dan ooit. Laat het geluid van uw ramshoorn doortrillen tot in het merg van de dapperste Assyrische soldaten. Laat het volk beven van angst. Verwoest de stad, plunder het leeg. Roof al het zilver en al het goud. Laat geen steen overeind staan! Zo spreekt de Heer van de hemelse legermachten.”

Bij het horen van dit mandaat stonden de Babylonische en Medische soldaten op. Ze trokken hun scharlaken gewaden aan. Hun koperen schilden schitterden in de zon. Niet lang zou het duren voordat deze met het bloed van Assyriërs geverfd zouden worden. Met duizenden strijdwagens trokken ze richting de stad. Ze namen bezit van Tarbisu, Baltil en de andere voorsteden van Ninevé. Daar wachtten ze op de avond, opdat ze in holst van de nacht konden toeslaan. In het geheim staken ze de dammen en sluizen door, zodat het water van de aquaducten, de Tigris en haar zijrivieren opsteeg. Nu was het water niet langer de vriend, maar juist de vijand van de stad. Zij stond op overstromen!


Toen klonk de ramshoorn. De wielen van de wagens knetterden zo hard op de stenen wegen dat de vonken ervanaf schoten. Ze waren als fakkels die een storm vol bliksemflitsen vormden op weg naar de stad. Ze braken door de buitenmuren en raasden door de straten. Alle inwoners zetten het op de vlucht. De koning schreeuwde dat ze moesten blijven, maar niemand keek achterom. De mensen die niet ontkwamen werden als slaven weggevoerd of om het leven gebracht. Terwijl de Assyrische soldaten zich verzamelden bouwden de belagers een overdekking voor de poort van de binnenmuur. De Assyrische soldaten wisten niet wat hun overkwam. Ze vochten terug, maar het lukte hen niet om een goede verdediging te organiseren. De belagers brachten de stormram naar de poort en begonnen tegen deze laatste verdediging te slaan. De overweldigende kracht van de Meden en Babyloniërs was niet

te stoppen. Ze werkten zich naar binnen en brachten alle hovelingen om het leven. Ook de leeuw, de leeuwin en haar welpen zouden nooit meer jagen in de velden. Koning Sinsharishkun kwam samen met zijn gezin om. De Assyrische godenbeelden werden met de grond gelijk gemaakt. Alle gouden leeuwen werden verwoest. De plunderaars gingen er met de schatten vandoor terwijl het paleis in rook opging. De glorie van Ninevé was voor eeuwig vergaan.



De boodschapper stond op de berg en keek toe. Nadat hij dit had zien gebeuren keerde hij zich naar het westen, naar Israël. Hij opende zijn mond en zei: “Juda, vier de feesten van de Heer. Los de geloften die je aan God maakte in! Want nooit meer trekken die Assyrische schurken door je land, ze zijn volledig uitgeroeid. De HEER herstelt het aanzien van Jakob, van Israël, dat vernield is door dit wrede volk. Zij kwamen, en verwoestten de wijngaarden van Israël. De mensen hebben zo lang geleden, maar nu niet meer!”



Toen keerde de boodschapper naar het oosten, naar Ninevé, en zei: “Tegen jou, Nineve, is iemand opgestaan die je inwoners uiteendrijft. Zet je schrap en houd je ogen open! Ik zal je straffen – spreekt de HEER van de hemelse machten. Ik laat je strijdwagens opgaan in rook, het zwaard zal je dappere leeuwen verslinden. Ik vernietig heel het land en de stem van je afgezanten zal niet meer worden gehoord.”


De ogen van Nahum gingen open. Hij had gezien wat er zou gebeuren en schreef het op. Enkele decennia later, in het jaar 612 voor Christus, viel Ninevé na de belegering door de Meden en Babyloniërs. Elk woord dat Nahum profeteerde ging in vervulling.



42 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven